Posts tonen met het label muzo-lessen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muzo-lessen. Alle posts tonen

donderdag 9 juni 2016

Ik breng een verhaal (druktechnieken)

Domein:
Beeld (geïntegreerd met lessen WerO)

Onderwerp:
Ik breng een verhaal: drukken van een krant

Techniek:
Druktechnieken:
  • Stempelen
  • Rubberdruk
  • Deegroldruk
  • Sjabloneren
  • Kartondruk

Bouwste(e)n(en)
compositie

Algemeen doel:
De leerlingen creëren per groepje hun eigen krant!

Lesverloop:
Sfeerschepping:
De projectweek waarbinnen deze les valt is 'Ik breng een verhaal'. Er wordt in de lessen godsdienst gewerkt rond 'lichaamstaal', binnen drama rond 'emoties' en in andere lessen wordt er vaak gewerkt met een boek als instap of sfeerschepping. Zo worden er verschillende manieren bekeken waarop met een boodschap kan overbrengen.

Beschouwen:
De LK toont verschillende materialen om mee te stempelen: eerst de gekende materialen zoals vingerstempels, letterstempels, stempelstiften, daarna de andere dingen zoals  vorken, schroeven, wattenstaafjes. De leerlingen benoemen dit en zeggen wat je er normaal mee doet.

LK legt uit dat je met de juiste verf met alles kan stempelen zoals met de gewone stempels. Dat gaan de LLN dan ook zelf  ondervinden!
  • De LLN krijgen elk 2 blaadjes.
  • Ze mogen 4 verschillende voorwerpen/dingen uitzoeken (uit de aangeboden selectie) waar ze mee gaan stempelen.
  • Om kleurvermenging te vermijden (niet leuk voor de volgende) gebruiken de LLN per voorwerp slechts 1 kleur.
  • Op beide blaadjes worden dezelfde ‘stempels’ gebruikt.
  • Verder zijn ze vrij om te experimenteren!

De gemaakte kunstwerken worden bekeken en wat blijkt: meestal zijn beide werken – gemaakt met dezelfde voorwerpen en kleuren – niet hetzelfde.


De bedoeling van deze stap was -behalve het experimenteren met stempelen met niet-gebruikelijke voorwerpen- de link te leggen naar de les over de evolutie van de boekdrukkunst binnen WerO én het belang van een drukplaat. Tijdens de uitwerking in het eerste leerjaar waren er echter twee leerlingen waarbij de werkjes identiek waren op beide vellen. Dit was in eerste instantie niet de bedoeling, maar aan de andere kant was het handig omdat ze konden getuigen dat het een heel tijdrovende bezigheid is om met 'losse voorwerpen' toch een identiek resultaat te krijgen.

Aanzetten tot creëren / Exploreren & experimenteren:
De LK vraagt de LLN om mee rond de demotafel te komen staan. Op de tafel liggen benodigdheden klaar voor verschillende druktechnieken.
De LK demonstreert -met assistentie van enkele LLN- enkele technieken (rubberdruk, deegroldruk, sjabloneren en kartondruk) zodat de LLN voor- en nadelen van de technieken kunnen zien en achteraf kunnen kiezen waar ze zelf mee aan de slag willen gaan.



Creëren:
  • Op voorhand werden groepjes ingedeeld van telkens: een drukker, een eindredacteur en 2 of 3 redacteurs. (dit was reeds ingedeeld n.a.v. de les WerO over 'hoe wordt een krant gemaakt')
  • Samen beslissen ze hoe hun krant er moet komen uit te zien.
  • Samen beslissen ze welke techniek er gebruikt zal worden voor hun krant.
  • De redacteurs bepalen de inhoud.
  • De eindredacteur zorgt er voor dat er geen fouten in staan.
  • De drukker zorgt er voor dat de drukplaat/deegrol/stempels/… in orde zijn.
  • De LLN maken van hun krant 5 dezelfde exemplaren!

Toonmoment & evaluatie:


 De einderedacteurs stellen hun krant voor aan de rest van de klas. Ze beantwoorden bij de voorstelling volgende vragen:
  • wat staat er in je krant?
  • welke techniek heb je gebruikt?
  • waarom heb je voor deze techniek gekozen?
  • wat was leuk/gemakkelijk/moeilijk aan het maken van de krant?
  • hoe werkte de groep samen?

Daarna wordt beslist welke groep de beste krant heeft gebaseerd op:
  • de mate waarin er  5 (zo goed als) identieke exemplaren zijn gemaakt (resultaat)
  • de mate waarin de techniek correct is gebruikt (proces)
  • de samenwerking binnen de groep (proces)
De winnende 'redactie' kreeg een wisselbeker! :-)





donderdag 5 mei 2016

Hoe maak ik een Dada-gedicht?

Domein
Beeld / Woord

Onderwerp:
Paul van Ostaijen en het dadaïsme

Techniek:
Collage / Poëzie schrijven

Bouwste(e)n(en)
  • Beeld: compositie 
  • Woord: woordbeeld

Algemeen doel:
De leerlingen creëren een dada-gedicht door middel van een collage van woorden en zinnen uit oude tijdschriften.

Lesverloop:
Sfeerschepping:
Leerkracht leest de gedichten "Marc groet 's ochtends de dingen" en "Boem Paukeslag!" expressief voor.

Beschouwen:
Leerkracht toont de gedichten op het bord en bespreekt zowel de inhoud als de lay-out.



Aanzetten tot creëren / Exploreren & experimenteren:
Leerkracht overloopt de kenmerken van het dadaïsme:

  •  Doorbreken grammaticale regels.
  •  Verwaarlozen leestekens.
  •  Naast / bij elkaar zetten van elementen zonder verband.
  •  Doorbreken van gekende genres.
  •  Uitbuiten van klanken.


Leerkracht leest gedicht voor "Hoe maak ik een Dada-gedicht" van Tristan Tzara:

Neem een krant.
Neem een schaar.
Kies uit de krant een artikel dat ongeveer de lengte heeft die je aan het gedicht wilt geven.
Knip het artikel uit.
Knip vervolgens alle woorden uit die in het artikel staan en doe ze in een hoge hoed.
Schud voorzichtig.
Trek één voor één de knipsels uit de hoed.
Schrijf de woorden zorgvuldig over in de volgorde waarin ze uit de hoed gekomen zijn.
Het gedicht zal op u lijken
En u zult zien, u bent een ongelooflijk origineel schrijver met feeling, hoewel miskend door het volk….

Tristan Tzara (1896 - 1963)


Creëren:

  • De lln krijgen een schaar en een aantal oude tijdschriften. Ze mogen kiezen of ze in duo of individueel werken.
  • De lln doorbladeren de tijdschriften en knippen alle woorden, zinnen, letters, ... uit die hen aanspreken, zonder specifiek op zoek te gaan naar woorden of letters. Ze moeten zich laten lijden door hun gevoel bij wat ze zien.
  • Als ze voldoende woorden en/of zinnen hebben verzameld, leggen ze het gedicht eerst op de ondergrond (karton met minimale grootte A4, maximale grootte A3) om de volgorde en de lay-out te bepalen. Er kan nog eventueel gezocht worden naar ontbrekende woorden om de tekst te vervolledigen.
  • Als het gedicht de juiste inhoud en vorm heeft, wordt eerst de ondergrond versierd met patch-papier of patroonpapier om de sfeer van het gedicht weer te geven.
  • Daarna wordt het gedicht op de versierde ondergrond gekleefd met lijm.
  • Er kunnen eventueel afbeeldingen toegevoegd worden om het visuele aspect te versterken.


Toonmoment & evaluatie:
De gedichten worden aan het bord gehangen en de leerlingen mogen om beurt -als ze willen- hun gedicht expressief komen voordragen.


zaterdag 19 maart 2016

Wat een vreemde volwassenen!

Domein
Drama
Antoine de Saint-Exupéry


Onderwerp:
Korte conversaties/toneelstukjes in een bepaalde rol

Techniek:
Verbale werkvorm: werken met teksten

Bouwste(e)n(en)
  • Rol – inleving
  • Rol - interactie


Algemeen doel:
De leerlingen leven zich in in een personage en brengen de dialogen als dat personage met bijbehorende karakteristieken.

Lesverloop:

Sfeerschepping:
De leerkracht brengt het verhaal van de kleine prins ter sprake: Wie kwam de prins allemaal tegen op zijn reizen? Wat was er zo bijzonder aan die personen?


Beschouwen:
Leerkracht leest stukjes voor uit het verhaal van de kleine prins en stelt na elke dialoog volgende vragen:
  • Welke personen komen aan bod?
  • Wat valt jullie op aan de dialoog?
  • Hoe gedraagt de kleine prins zich?
  • Hoe gedraagt de andere persoon zich?
Tip: Leerkracht let er op dat elk personage duidelijk vormgegeven wordt (overacting)

Aanzetten tot creëren / Exploreren & experimenteren:
Overlopen van de verschillende personages en wat er opmerkelijk aan is:
  • De koning à hooghartig, heerszuchtig
  • De ijdeltuit à ijdel, eist aandacht en bewondering, denkt enkel aan zichzelf
  • De dronkaard à dronken, schaamt zich, absurd denken
  • De zakenman à vindt zichzelf belangrijk, telt alles, alleen materiële telt
  • De lantaarnopsteker à regels zijn regels, zelf denken hoeft niet
  • De aardrijkskundige à vindt zichzelf belangrijk maar beseft niet de nutteloosheid van zijn werk 

Wie kan een rolletje spelen? Waarom speel je het zo? Waar moet je op letten?

Creëren:
De leerlingen krijgen elk een dialoog. Ze kiezen een partner om mee samen te werken. In onderling overleg maken ze een keuze tussen de twee dialoogjes.
De leerlingen krijgen tijd om hun dialoogje te oefenen en van buiten te leren.

Toonmoment & evaluatie:
De leerlingen brengen hun dialoogjes. Na elke dialoog wordt een korte bespreking gehouden:
  • Welke personages hebben we gezien?
  • Wie speelde wie? Waaraan zag je dat?
  • Wat gebeurde er in deze scène?
  • Wat zou het personage nog kunnen zeggen?

Antoine de Saint-Exupéry




donderdag 17 maart 2016

Ruimtereis

Afbeelding: www.scientias.nl
Domein
Bewegingsexpressie

Onderwerp:
Werken rond 'ruimtereizen'

Techniek:
Dansexpressie / dansimprovisatie

Bouwste(e)n(en)

  • ruimte: ruimtelagen; grootte/vorm; plaats 
  • kracht: gewicht

Algemeen doel:
leerlingen laten zich leiden door de muziek om tot beweging te komen

Lesverloop:
Sfeerschepping:
Verhaal van de kleine prins in verkorte versie via YouTube-filmpje. 
-> Nu beginnen we aan onze eigen ruimtereis, net zoals de kleine prins.

Beschouwen:
Samen met de leerlingen wordt een filmpje bekeken van de eerste maanlanding. 
De leerkracht vraagt wat er opvalt aan dit filmpje: manier van bewegen, tempo, zwaartekracht, ...

Aanzetten tot creëren / Exploreren & experimenteren:
Leerkracht laat een muziekcollage horen met fragmenten uit:

  • Space Oddity - David Bowie
  • Walking on the moon - The Police
  • Intergallactic - The Beastie Boys
  • Stardust - Jean-Michel Jarre & Armin van Buren

Leerkracht begeleidt de bewegingsimprovisatie met een verhaal volgens de muziek: klaarmaken voor lancering - lancering - onderweg naar de maan - maanlanding en rondlopen op de maan - aanval buitenaardse wezens/robot - terug naar de aarde vliegen - planeten en asteroïden ontwijken.

Creëren:
Leerlingen krijgen drie verschillende liedjes/fragmenten te horen:

  • Dark side of the moon - Pink Floyd 
  • Spaceman - Babylon Zoo
  • Star Trek Theme


Hierop bewegen ze -zonder elkaar aan te raken- met de ogen dicht (gevoel van veiligheid, ook verlegen kinderen kunnen meedoen zonder zich bekeken te voelen). Daarna kiezen ze het liedje waar ze zich het best bij voelen om hun dans te tonen aan de anderen.

Toonmoment & evaluatie:
De leerlingen kiezen zelf op welk liedje ze hun bewegingen tonen aan het publiek. Iedere groep krijgt een applaus op het einde van het lied/fragment.
Daarna wordt kort besproken wat er opviel, wat er werd uitgebeeld, welk gevoel ze kregen.


Mijn eigen planeet

Domein: 
Beeld
 

Onderwerp:
Verhaal van de kleine prins - planeten

Techniek:
Ruimtelijk werken: boetseren
 

Bouwste(e)n(en): 
  • Vorm
  • Textuur


Algemeen doel:
De leerlingen vormen zich een beeld van hun eigen planeet: hoe ziet die er uit, wie woont er allemaal, hoe heet de planeet …
Vervolgens boetseren ze met klei hun planeet!


Sfeerschepping:
De leerkracht brengt het verhaal van de kleine prins ter sprake: Wie kwam de prins allemaal tegen op zijn reizen? Waar woonden die mensen? --> Planeten
 

Beschouwen:
De leerkracht toont een PowerPoint met foto’s van verschillende planeten.  Al die planeten zien er anders uit: sommigen hebben manen en/of ringen, andere niet, … sommigen zijn ‘vrij’ glad terwijl anderen bezaaid zijn met kraters/putten.
 

Aanzetten tot creëren / Exploreren & experimenteren:
De LLN krijgen de opdracht om hun eigen planeet te boetseren met klei. Ze moeten wel eerst bedenken hoe die er uit gaat zien. 

Tijdens het boetseren met klei hebben ze allerlei textuurmateriaal voorhanden dat ze kunnen gebruiken om hun planeet het gewenste uitzicht te geven. Dit materiaal wordt klassikaal overlopen.

Omdat er nog niet vaak met klei werd gewerkt, worden ook enkele tips meegegeven rond werken met klei:
  • werk uit één stuk
  • manier van aanhechten
  • tonen hoe je een krater maakt


De planeet moet ook bewoners  krijgen: wie zou erop wonen, zorg ervoor dat ze op de planeet passen!

Creëren:
De LLN krijgen elk een stuk klei en gaan ermee aan de slag. Ze zorgen dat de planeet de gewenste vorm en textuur krijgt.

Als hun planeet ligt te drogen, kunnen ze beginnen aan het vormgeven van de personen/dieren/dingen (met papier, tandenstokers, …) die op de planeet leven/voorkomen. Hierbij moeten ze er stil bij staan dat die dingen ook op de planeet moeten passen. 
 

Toonmoment & evaluatie:
De leerlingen krijgen de mogelijkheid om hun planeet te tonen er iets over te vertellen. Mogelijke vragen zijn: 
  
  • Hoe ben je op dit idee gekomen?
  • Hoe heb je textuur aangebracht?
  • Wat is de naam van je planeet?
  • Waarom heeft je planeet deze vorm?
  • Wie of wat leeft er op je planeet?
  • Hoe heb je je idee vormgegeven en waarom?
  • Wat vond je moeilijk?
  • Wat zou je anders doen?